Een ( ongeluks) dagje uit het leven van Hennie van B.

Weer eens een gastblogje van Jan Spier, oud diender te Utrecht.

Het was in de tijd, dat ik bij de bereden brigade dienst deed. ( Those were the days )

Op een middag, mijn goede collega Hennie van B., was in de manege ( toen nog aan de Kaap Hoorndreef) om een jong paard de kneepjes bij te brengen een goed politiepaard te worden. Ik was doende met stalwerkzaamheden, o.a. het onderhoud van tuigage e.d.

Opeens hoorde ik vanuit de “bak” zoals de manege genoemd wordt, een hoop kabaal en geschreeuw.

Ik repte mij naar de plaats des onheils en daar zag ik Hennie kreupel lopend en met een van pijn verwrongen gezicht de stal in komen.

“Wat is er gebeurd,?” vraag ik bezorgd.

“Hij heeft me er ***  eraf gegooid, de rotzak, denk je soms, dat ik altijd zo afstap,“ was zijn commentaar.

“Neen,” zei ik sussend,” dat  doet men altijd op een correcte manier volgens de richtlijnen van  het handboek.”

“Ik wilde hem een hoek in hebben,”zegt Hennie, “maar dat kreng weigerde en toen begon hij plotseling te bokken, het leek wel een rodeo en toen gooide hij mij eraf.”

Aangezien ik vermoedde, dat hij wel eens iets gebroken kon hebben of een verwonding, gelet op de hevige pijn aan zijn heup, drong ik er op aan dat hij eerst ging liggen en daartoe legde ik snel wat strobalen in het hooi- en strohok op een rijtje.

Maar eigenwijs als hij kon zijn, weigerde hij dat. “Gaat wel weer over,” was wat hij met een van pijn verwrongen gezicht zei.

Heel wat overredingskracht was er nodig om hem zover te krijgen dat hij uiteindelijk op de strobalen ging liggen.

( Ik moest ondertussen ook even aan de woorden denken van onze helaas te vroeg overleden collega Peter van Z., die mij eens tijdens een discussie toevoegde: “Jan, jij bent zo eigenwijs, als ze  jou in het water smijten drijf je van eigenwijzigheid tegen de stroom in.”

Zou er dan behalve mij  nog iemand zijn die daarvoor in aanmerking kwam?

Maar goed, daar lag hij dan op de strobalen; nu hem nog zo ver zien te krijgen dat hij zijn rijbroek laat zakken, zodat ik kon zien of hij een verwonding had o.i.d

De lezer raadt het al, opnieuw was er weer discussie nodig. Maar tenslotte wurmde hij zijn rijbroek tot aan zijn knieën omlaag. Terwijl ik in voorovergebogen houding zijn melkflessen aan een “deskundig” onderzoek onderwierp, wat te drommel, ik was toch niet voor niks geabonneerd op een medische encyclopedie, ging plotseling de deur van het hooihok open en in de deuropening stond niemand minder dan de marktmeester himself.

“Goedemiddag heren,” sprak hij met enigszins schrille stem het toneel overziende en kennelijk met zijn houding geen raad wetend, “ik wilde nog even iets doorgeven voor de aanstaande markt.”

Wij hadden natuurlijk iets uit te leggen en langzaam zagen wij de twijfel die aan hem knaagde   verdwijnen. Ach, als je dat gezicht van die man gezien had….

Maar het verhaal is nog niet af. Ik belde met de 1 e hulppost van het Overvecht Ziekenhuis.

We mochten direct komen. “Ik zet een rolstoel voor u klaar,” sprak een bezorgde verpleegkundige. Dat wordt een nieuw probleem bedacht ik onderweg. Hoe krijg ik hem in uniform in een rolstoel?

Uiteindelijk lukte het mij hem in de rolstoel te krijgen en zo reden we dan door de gang naar de goede afdeling. Laten nou net de automatische deuren de verkeerde kant open gaan die met een bonk tegen de rolstoel kwamen, hetgeen een kreet van pijn opleverde.

Even later komt een man ons in de gang tegemoet die Hennie toeroept:

“ Zeg ben je misschien te lui om te lopen?”

Ik kon hem nog bijtijds in zijn kraag grijpen, anders was hij de rolstoel misschien nog uitgekomen om die man aan te vliegen.

Gelukkig bleek na onderzoek, dat er niets gebroken was. Alleen een behoorlijke kneuzing was  wat hij aan de training  van een onwillig paard overhield.

s’ Avonds, bij thuiskomst, kreeg Hennie in ieder geval een hartelijke ontvangst van Letty, zijn wederhelft, die, terwijl hij kreunend van de pijn de trap beklom, hem verwelkomde met de woorden: “Wat loop jij nou te stuntelen op de trap, ben je soms dronken?”

Hoe het verder die avond in huize van B. is gegaan vermeldt de geschiedenis niet.

Hennie verscheen de volgende dag wel degelijk op het werk.

Eens een marinier, altijd een marinier.

 

 

Jan Spier.

Het plastic tasje

Hij schreef al eerder af en toe, als oud-diender in de stad Utrecht had hij veel meegemaakt en daardoor veel te vertellen. Naar aanleiding van een verzoek van Trudi die hem kennelijk node mistte, heb ik hem gevraagd nog eens een blog te vullen. Dus, op verzoek, een gastblog van Jan Spier!

Hedenmorgen na de wekelijkse sport spoorde je me aan nog weer eens iets te schrijven. Een van je volgers, een mevrouw die zich Trudi noemt, had, zo las ik onlangs, ook al eens een visje uitgegooid.

Welnu, hedenmorgen was ik op weg naar de kleermaker op het Doelenplein, kwam er opeens een bejaard vrouwtje op mijn pad.
“Ach,” zei ze, “had ik net als u maar een plastic tasje meegenomen voor de boodschappen, want ik ben de mijne vergeten.”
”In de winkel hebben ze vast wel een tasje voor u”, zei ik in een poging haar gerust te stellen.
“Maar weet u”, zei ze vervolgens, “het gaat erom, dat ik nu mijn portemonnee in mijn hand moet houden, want kijk maar de zakken van mijn jasje zijn heel erg ondiep.”
“Maar,” zei ik, “er zit wel een rits op, dus dan kunt u hem toch niet gemakkelijk verliezen.”
Maar met dit antwoord was ze toch kennelijk niet tevreden.
“Tis een rare tijd meneer,”zei ze terwijl ze mij veelbetekenend aankeek.. “U hebt zeker geen tasje meer over he meneer?”
“Jammer genoeg niet mevrouw,”sprak ik naar waarheid, “maar weet u wat, neemt u dit tasje maar,”en de daad bij het woord voegend trok ik de te repareren broek uit het plastic en overhandigde dat aan haar.
“Ja maar,”sputterde ze nog tegen, “dan moet u zo met die broek over straat!”
“Volgens mij kan mijn broek daar wel tegen hoor mevrouw en er is hier niemand die het ziet.”
Met een blij gezicht aanvaardde ze mijn gave, ze deponeerde haar knip erin en omklemde het stevig.
“Oh, wat ben ik blij,”riep ze haar weg vervolgend. “Dank u wel hoor.”

Men zegt wel eens, dat de humor op straat ligt.

Met een hartelijke groet van mij voor jou en je lezeres Trudi

Uit de herinnering van de wachtcommandant

Het is weer eens tijd voor een gastblog, Jan Spier, oud politieman uit Utrecht verhaalt over een ervaring als wachtcommandant. Deels in het prachtige Utregs.

Op een avond gaat de telefoon bij de wachtcommandant. Aan de andere kant van de lijn is Willem, bij diverse instanties al jarenlang een bekend draaideur geval.
Aan zijn stem is te horen dat hij drank op heeft.
(Bij sommige figuren, die, zoals hij plat Utrechts praten, is het mijn ervaring om die in hun eigen taal aan te spreken. In het bijbelboek Handelingen 2: 6 werd er al gewag gemaakt van het spraakwonder. (Uitstorting van de Heilige Geest) Tenslotte ben ook ik als Utrechtse jongen met dat taaltje vertrouwd en in mijn loopbaan loste ik daar heel wat problemen mee op, maar dit terzijde)
“He, Spier, ik maak me eige doad hoor.”
Ik: “Wat krijge we nou man?”
Willem: “Nou mot je maar is goed luisteruh, ik gaot nou de deur uit naor de … straot en dan gaot me zuster deran. Ze hep me beledig en dat pik ik niet. Wat ze dan gezeg hep? Nou dat me moeder nog zou leven als ik beter opgepas had. Azzik daar gewees ben dan maok ik er zelf een eind an. Dan spuit ik insulinde zo in een aoder van me arm.”
“Willem,”zeg ik, “die dwaze dingen laat je zeker wel uit je hoof he?” Lees verder Uit de herinnering van de wachtcommandant

Nog maar eens de veemarkt

En nog maar eens een gastblog van onze oud-diender uit de Domstad. Jan Spier beloofde het al, weer op de paarden- en veemarkt:

Zoals in de vorige aflevering werd aangekondigd, nu het verhaal van een veehouder, die na zijn handel gedaan te hebben een flink glaasje gedronken had.

Hij was een man van een jaar of 40 schat ik, die altijd in gezelschap was van zijn moeder, een kordaat vrouwtje, dat volgens de geruchten in haar handtasje het geld vervoerde waarmee de handel gedreven werd. Toen de markt eigenlijk  al bijna afgelopen was, kwam hij in gezelschap van haar waggelend uit het restaurant  en liep hij richting zijn veeauto.

Zo te zien had hij zijn zakken aardig vol.

Ik wilde voorkomen dat hij ging rijden.

Vlak voordat hij in zijn auto probeerde te klimmen, trok ik hem aan zijn stofjas en verhinderde, dat hij achter het stuur zou kruipen. Ik probeerde hem aan het verstand te brengen, dat ik het beter vond dat hij niet ging rijden. Maar toen ik hem een officieel rijverbod wilde opleggen, probeerde hij toch in de cabine te klimmen, terwijl hij onderwijl luid protesteerde.

Daarop ontstond er tussen ons een worsteling en aangezien de man nogal een behoorlijk lichaamsgewicht had  en goed tegenwerkte, trok ik hem naar de grond en paste daarop een houdgreep toe. ( kesa gatame, voor ingewijden, geleerd tijdens de judolessen bij Anton Geesink)

Zijn moeder liet zich daarbij niet onbetuigd, want steeds mepje zij met haar handtasje in mijn richting , terwijl zij voortdurend riep: “Laat hem los.” Met mijn vrije arm probeerde ik die meppen af te weren.

Ja, daar lag ik dan, op een vrijwel verlaten marktterrein, met mijn pas gestoomde broek, half in de koeienstront, een tegenspartelende boer onder mij en  geen portofoon ter beschikking. Normaal gesproken roept de scheidrechter tijdens een grondgevecht na 20 seconden het verlossende woord  “Ippon” maar dat bleef hier uit.  Tot mijn opluchting verscheen er na enige tijd het lachende hoofd van de marktmeester voor het raam van zijn kantoor.

Terwijl ik gebaarde dat hij assistentie moest bellen, paste ik onderwijl de tactiek toe van de wurgslang, de Boa constrictor, ( ook geleerd van Geesink,aangezien de man nog steeds verzet bood.

Die tactiek houdt in, wanneer een prooi de adem uitblaast de slang weer even zijn prooi steviger omstrengelt, zodat die ademhalingsproblemen krijgt.

Dat werkte bij de boer ook. Als hij zijn adem uitblies leunde ik extra zwaar op zijn borstkas, zodat hij weinig lucht kon happen. Daardoor zwakte zijn verzet mede door zijn drankgebruik   af en even later verscheen er een surveillanceauto, die het duo naar het hoofdbureau afvoerde waar de veehouder met een rijverbod na ontnuchtering zijn auto kon gaan ophalen.

Not amused had ik even later nog een gesprekje met de marktmeester. Ik was er niet zo blij mee, dat hij nogal laconiek en lachend mijn worsteling had gadegeslagen en niet direct gebeld had.

“Dat was toch zo’n mooi gezicht,” was zijn reactie, “jou te zien bovenop die boer, terwijl dat ouwe wijfie jou met haar tasje probeerde te slaan”.

 

Teruggekomen in de stal bracht ik rapport uit aan mijn leidinggevende, die niet tevreden was met mijn optreden. Een marktterrein was geen openbare weg vond hij en derhalve was mijn handelwijze onrechtmatig.

Ik beloofde hem een volgend keer op de openbare weg te gaan posten. Misschien kwam dan zijn dochter wel op de fiets uit school…….

De discussie werd toen snel gestaakt.

 

Ook was er nog eens een  voorval met een varkensboer, die in alle vroegte het bureau binnenliep.

Op mijn vraag wat ik voor hem betekenen kon, vroeg hij of ik misschien een verbandje voor hem had, want hij had een wondje aan zijn been. Terwijl ik de verbandtrommel pakte en vroeg waar het verband diende aangebracht te worden, trok hij zijn broekspijp omhoog en toonde hij mij een enorme bloedende wond aan zijn knieholte.

Op mijn vraag hoe hij daaraan kwam vertelde hij, dat hij zonder nadenken in een hok was gestapt waarin zich een varkensbeer bevond, die hij evt. wilde kopen, zo’n dier met van die slagtanden.

Die had hem een forse haal gegeven.

Alle mensen, ik zag de spieren zo liggen in die gapende wond. Toen Ik dat zag moest ik  even denken aan mijn moeder,  die zelf ook wel het een en ander gewend was als kind uit een groot gezin uit het Groninger platteland.

Als ik als jochie nog wel eens thuis kwam met een gat in mijn kop of knie, dan placht zij vol afgrijzen te zeggen: “Och heden, het trekt mie het gat oet.” Welke gevoelens zij daarbij had vermeldt de geschiedenis niet, maar de  aanblik van een dergelijke wond was allerminst  plezierig. Vandaar dat ik maar even een bakkie koffie inschonk en daar had de boer ook wel trek in.

Nadat ik de wond met een steriel verband had verbonden bracht de gewaarschuwde G.G. en GD. hem over naar het ziekenhuis. Zowel de broeder als ik hadden wel enige overtuigingskracht nodig hem te doen inzien dat het beter was, dat hij daarheen werd gebracht.

Later vernam ik, dat het voor de chirurg nog een hele toer was geweest de wond weer netjes te hechten.

 

J. Spier 

Herinneringen van een oud politieman

Vandaag weer eens een gastblog van Jan Spier, de oud-politieman uit Utrecht. Het komt mij wel goed uit, kan ik gezellig met mijn vrouw onze trouwdag vieren. 37 Jaar geleden beloofden we elkaar eeuwig trouw, nou ja, tot de dood ons scheidt.

Herinneringen aan de paarden- en veemarkt

Goede herinneringen heb ik aan de tijd, dat ik vanaf 1964 tot 1972 dienst deed bij de bereden brigade. Aan die afdeling was het toezicht opgedragen aan de wekelijkse paarden- en veemarkt.

Bij toerbeurt deden we daar dienst, eerst nog aan de veemarkt aan de Croeselaan. Daar waren ook onze paarden  gestald bij de NV. Veestallen. Later verhuisden wij naar ons nieuwe onderkomen aan de Kaap Hoorndreef.

Ik was altijd wel in mijn nopjes als het mijn beurt was om op die markten dienst te gaan doen.
Er waren ook collega’s die hun beurt aan mij gunden en dan staldienst deden. Eerlijk gezegd, voelde ik me wel thuis tussen het vee en de veehouders, meer dan tussen de paardenhandelaren. Dat was heel ander volk, vond ik.

Wie mocht menen, dat het dienstdoen op de markten altijd een aardig en relaxt dagje tussen de handelaren, de paarden en het vee opleverde heeft het mis.

Op de oude veemarkt heb ik nog eens een proces- verbaal opgemaakt tegen een veehouder, die een koe aanvoerde met een overvol uier.(uiers stond er overigens in het W.v.S.) Dat werd voor de Kantonrechter nog een proefproces, maar voor de uitspraak er was overleed de veehouder en ging de zaak niet door.

Als het maandag paardenmarkt, of donderdag veemarkt was, liep de wekker in huize Spier om 5 uur af. Om half zes ging ik dan samen met collega P. Arts ( R.I.P), die er altijd voor vast dienst deed, op weg. Hij woonde op een steenworp afstand van mij. Op dat tijdstip was er dan al een hele bedrijvigheid. Bij de ingang van de veemarkt stond een dierenarts, bijgestaan door een assistent,  (bekkenbreker genoemd) die de aangevoerde dieren op het oog keurde of er sprake was van mond-en-klauwzeer.

Tijdens de aanvoer stond ik ook vaak aan de poort en dan pikte ik er zo nu en dan een koe uit, waarvan de horens in de kop waren gegroeid en etterende wonden hadden veroorzaakt. Ik maakte dan proces verbaal ter zake van dierenkwelling. Die horens werden er vervolgens door de bekkenbreker met een staaldraad afgezaagd, terwijl ik hem assisteerde door de kop van het dier vast te houden.

Als ik dan proces verbaal opmaakte werd mij dat lang niet altijd in dank afgenomen, want zo luidde het argument, de koe ging toch naar de slacht.

Zo zette ik eens een koe apart die ernstig kreupel was. Nu wilde het geval, dat de koe werd aangevoerd door een veehouder die in “hoog aanzien” stond, want behalve, dat hij voorzitter was  van een vee- en vleesvereniging, had hij ook een bevoorrechte plaats waar zijn vee in de hal ter verkoop stond, kortom een man met wie niet te gekscheren viel.

Ja, en toen kwam de hoofdagent Spier op zijn pad met in zijn kielzog een man of 10 handelaren. Dreigend hief hij zijn wandelstok. “Dus jij maakt proces- verbaal op tegen deze koe?” “Nee, meneer,” antwoordde ik,  ”ik maak proces- verbaal op tegen de eigenaar van deze koe en dat bent U toch?”

“Dat had je me jaren geleden niet geflikt, want dan was het slecht met je afgelopen,” was zijn wederwoord, terwijl de wandelstok zo te zien nog steeds dreigend in mijn richting wees.

“Ik zie, dat je aanhang genoeg hebt”, zei ik toen, “wie is de eerste die mij op mijn bek wil slaan?

(Ik vond het toen nodig over te schakelen naar een minder beleefde toon. Tenslotte  staat er geschreven: Een ieder hoorde, dat er in zijn eigen taal gesproken werd. Maar er meldde zich niemand en allen dropen af.)

Leuke voorvallen deden zich ook voor.

Zo stonden er in alle vroegte in  het bureau eens een  tiental heilsoldaten in uniform met halleluja hoedjes  voor mijn neus. Of ze op de markt mochten collecteren.

“Ho, ho,”sprak ik streng, “hebt u wel een vergunning van de burgemeester?” De majoor trad met een bekommerd gezicht naar voren. Was die dan wel nodig commandant? Ja, die was nodig! Maar hoe lossen we dit nu op? Vervolgens vroeg ik of zij het bekende lied van Zachéus wel kenden. ( Zachéus was een tollenaar, klein van stuk die in een boom klom om Jezus te kunnen zien. Deze geschiedenis is te vinden in het bijbelboek Lucas 19 vers 1-10 )

“Ja,” riepen de heilsoldaten in koor. ‘Oke”, zei ik,”dan zullen we nu dat lied gaan zingen; ik zal rapport uitbrengen en wellicht zal de burgemeester dan zijn hand over zijn hart strijken.

Terwijl ik als dirigent op een stoel klom, zongen de soldaten het lied van Zachéus:

Zachéus was een kleine man, dat weet u wel misschien,
hij klom vlug in een vijgenboom, hij wou de Heer graag zien.
Maar toen de Heiland kwam voorbij, keek hij naar boven juist en zei:
“Zacheus, kom eens uit, ‘k moet heden in uw huis.”

Of de heilsoldaten daarna een ruime oogst aan giften hebben binnengehaald vermeldt de geschiedenis helaas niet.

Na het zingen van dat lied ging een ieder blij en met een vrolijk hart zijns/ haars weegs.

Van een heel ander niveau is het verhaal van Joop de sigarenboer.

In het restaurant van de veemarkt was er behalve een filiaal van de middenstandsbank ook een ruimte voor Joop die er zijn rookwaren verkocht en die, de  onreine begeerten van zijn klanten kennende, ook seksboekjes in het assortiment had. De vrouw van Joop leverde eveneens een bijdrage aan het gezinsinkomen en maakte de toiletten schoon. Met enige regelmaat vond zij dan in een vertrekje dat een mens nederig houdt, de pas aangeschafte lectuur en die bracht zij dan ijlings weer verborgen onder haar schort naar haar wederhelft, die het opnieuw verkocht.

Op een marktdag maakte ik als te doen gebruikelijk een praatje met hem. Op z’n Utregs.

“Alles goed Joop, hebbie al een plakkie kaas op je broad verdiend?”
“Zeker weten”, zegt Joop lachend, en op een seksboekje wijzend, “deze hebbik al vijf keer verkog vandaag.”

Uit de herinnering van een oud politieman

Ik ben er even niet, weet niet wanneer ik wel of niet kan posten. Maar om jullie deze weken niet helemaal zonder leesvoer te laten nu een gastblogje. En verder kun je natuurlijk altijd een duik in het verleden nemen waarbij ik (ik deed dat eerder) de serie over het witte huis van harte aanbeveel.

Toen ik het artikel in het AD van de 16e jl las, mbt de uitgaven van de korpsbeheerders en de politietop voor teambuilding, kon ik het niet nalaten er een briefje “ter lering ende vermaeck”aan te wijden.
Onder aan het betreffende artikel is een foto van jou afgedrukt waarbij je in uniform gekleed bent. Wat mij dadelijk opviel was, dat je de uniformjas verkeerd om had dicht gedaan, nl door het rechterpand naar links te doen, zoals vrouwen hun kleding dichtdoen.
Vermoedelijk was je door een siddering aangegrepen toen je de berichten in de krant las over de bedragen die met de teambuilding gemoeid gingen; deed je gehaast het uniformjasje aan voor de fotograaf, ja en dan krijg je dit soort zaken. Het is toch allemaal wat!

In het grijze verleden, toen ik nog lid van de ME was, deden wij ook aan teambuilding. Soms werden wij met een auto naar een oord op de Veluwe gebracht, de Blije Wereld genaamd. Soms gingen wij te paard, ja je leest het goed, een dikke 60 km was dat. s’Avonds mochten we dan nog meedoen aan een nachtelijke dropping.
Wij keken in dat vier dagen durende uitstapje altijd uit naar de komst van dhr. Staal ( r.i.p.) van de afdeling comptabiliteit, ( door ons oneerbiedig het knekelhuis genoemd vanwege zijn magere gratenpakhuis) die dan welgemoed vanwege zijn dagje uit altijd een kistje meevoerde, waarin voor een ieder een zorgvuldig dichtgeniet zakje aanwezig was, inhoudende een klein geldbedragje, waarvan wij in de avond, vrij van dienst op “bescheiden” wijze een biertje konden drinken.
Nu als bejaard man kijk ik nog op die dagen terug. Wat hebben we onderling een schik gehad!
Ik herinner me nog, dat de beheerster van dat vakantieoord een oerlijke vrouw was en om dat maar eens Bijbels te zeggen: zij had gedaante noch heerlijkheid, dat wij haar begeerd zouden hebben.
Soms kwam het ook wel eens voor, dat er dienders waren, die wel eens drie biertjes dronken ipv. twee. ( ha, ha) De eerste dag vonden ze de beheerster een lelijk mens; de volgende dag werd zij met mevrouw aangesproken en op de afscheidsavond hoorde ik iemand zeggen: Wat een stuk hè?
De commissaris kwam ook eens buurten. Kon je wel mee lachen hoor. We kregen bij het avondeten een bordje soep. Ik zeg niet dat het Frans V. zijn tafelgenoot was, die heimelijk de dop van het maggiflesje los gedraaid had, zodat de grote baas de inhoud van deze smaakmaker in zijn geheel in zijn soep kreeg. Uiteraard zat iedereen daar op te wachten. Ik zie het zuinige gezicht van hem nog voor me.

Ach, beste Stoffel, ik schrijf je dit om je maar een beetje op te vrolijken. Vandaag de dag staat de politie aan veel kritiek bloot, het is iedere dag wel weer wat anders, morgen ligt de krant op de viskraam moet je maar denken.
Denk maar aan de uitspraak van Cicero die ooit gezegd moet hebben:
“Non sont minimi qui regunt civitatem, of, het zijn de minsten niet die de stad regeren.

Ik wens je alle goeds en heb mijn hartelijke groeten

Jan Spier

Gastblog: Bij kop en kont

In mijn blog van dinsdag had ik het over de schrijfsels van mijn sportmaat, Jan Spier. De man heeft jaren bij de Utrechtse politie gediend en zit vol verhalen. Ik heb al eens tegen hem gezegd dat hij een weblog moet beginnen, dat er vast wel publiek voor is. Maar dat wil hij niet, te veel gedoe, te ingewikkeld. En dus heb ik hem hier maar een plaatsje aangeboden.

Vuile SS-er

Eens stond er een heel vervelende man voor de balie. Zijn adem riekte naar alcohol. Wat hij precies wilde weet ik niet meer, maar hij dramde maar door maar hij kreeg zijn zin niet, aangezien hij dingen van mij eiste die ik niet kon inwilligen.
“Wat denk jij wel, vuile SS-er”, schreeuwde hij naar mij. Overigens droegen wij toen geen laarzen meer maar een lange pantalon. De laarzen waren onder het bewind van de toenmalige hoofdcommisaris afgeschaft want hij had associaties met de dragers daarvan in de tweede wereldoorlog en de beruchte SS-ers. Ook was de koppelriem waaraan het pistool zichtbaar gedragen werd een doorn in zijn ogen, vandaar dat uniformdragers een nieuwe uniformjas kregen aangemeten, waaronder de pistooltas onzichtbaar gedragen kon worden. Want een zichtbaar wapen wekte toch allemaal alleen maar agressie op. Moest het wapen eventueel worden aangewend, dan diende de schutter eerst de zijkant van zijn uniform omhoog te doen voor het wapen uit de tas kon worden gehaald. Deze handeling kon zeker wel een aantal seconden duren voor het wapen schietklaar was, maar voor zover ik weet hebben zich gelukkig geen ongelukken voorgedaan.
Bovendien werd uit het oog verloren, dat geüniformeerden voortaan als ze de straat op gingen aan de rechterzijde ter hoogte van de heup allemaal een merkwaardige bult vertoonden, zodat sommigen uit het publiek, onkundig van deze ingreep, zich vertwijfeld afvroegen of de keuringsartsen wel goed hun werk hadden gedaan tijdens de selectie, maar dit alles terzijde.
Ik voelde toen een “warme golf” in mij opstijgen en vond het nodig, dat hij het pand verliet. “Der uit,” riep ik, naar de hal wijzend.
“Voor jou nooit,” was het antwoord. Een herhaling van mijn eis werd genegerd.
Ik gunde me geen tijd om via de deur naar de andere zijde van de balie te lopen, maar sprong erover heen, ( ja toen kon ik dat nog) greep het stuk ongeluk met de ene hand in zijn kraag en met de andere hand in zijn broek, ter hoogte waar de hond ophoudt en de staart begint, en daarbij tilde ik hem min of meer van de grond zodat hij op zijn tenen moest lopen. In de hal op weg naar de uitgang hoorde ik onze portier nog roepen: “Schudden voor het gebruik, brigges”.
Toen ik de man buiten de deur had gezet, keek ik nog eens of hij het in zijn hoofd haalde weer binnen te komen. Ik zag toen, dat hij zijn middelvinger op stak, aldus mijn woede weer voeding gevend.
Ja lezer, toen ben ik weer naar buiten gegaan, heb de man opnieuw en op de zelfde wijze op zijn tenen lopend naar binnen gewerkt en in een verhoorhok gezet. Allemachtig bedacht ik me toen, wat heb je allemaal aangehaald…

Tijdens deze handeling kwam een rechercheur de trap af. “Alles goed Jan?” sprak hij, mij met een bekommerd gezicht vanonder zijn borstelige wenkbrauwen aanziende.
Weer wat op adem gekomen legde ik hem de situatie uit.
“Komt goed,” sprak de rechercheur geruststellend, “ik ga straks wel eens even met hem praten.”
Na een half uurtje ‘sudderen’ werd de onverlaat door hem eens ferm toegesproken, en die was daar blijkbaar zo van onder de indruk, dat hij even later, na gemaakte excuses, blij het pand kon verlaten. En ik was blij dat er verder geen stappen tegen mij werden ondernomen.