Uit de herinnering van de wachtcommandant

Het is weer eens tijd voor een gastblog, Jan Spier, oud politieman uit Utrecht verhaalt over een ervaring als wachtcommandant. Deels in het prachtige Utregs.

Op een avond gaat de telefoon bij de wachtcommandant. Aan de andere kant van de lijn is Willem, bij diverse instanties al jarenlang een bekend draaideur geval.
Aan zijn stem is te horen dat hij drank op heeft.
(Bij sommige figuren, die, zoals hij plat Utrechts praten, is het mijn ervaring om die in hun eigen taal aan te spreken. In het bijbelboek Handelingen 2: 6 werd er al gewag gemaakt van het spraakwonder. (Uitstorting van de Heilige Geest) Tenslotte ben ook ik als Utrechtse jongen met dat taaltje vertrouwd en in mijn loopbaan loste ik daar heel wat problemen mee op, maar dit terzijde)
“He, Spier, ik maak me eige doad hoor.”
Ik: “Wat krijge we nou man?”
Willem: “Nou mot je maar is goed luisteruh, ik gaot nou de deur uit naor de … straot en dan gaot me zuster deran. Ze hep me beledig en dat pik ik niet. Wat ze dan gezeg hep? Nou dat me moeder nog zou leven als ik beter opgepas had. Azzik daar gewees ben dan maok ik er zelf een eind an. Dan spuit ik insulinde zo in een aoder van me arm.”
“Willem,”zeg ik, “die dwaze dingen laat je zeker wel uit je hoof he?”
“Nou ja,” is zijn antwoord, “zeg jij dan maar wat ik mot doen.”
“Weet je wat Willem, trek je jas aan en dan kommie maar effen praten,” zeg ik.
“Dat gaat niet want ik ken niet lopen.”
“Waarom ken je niet lopen?”
“Omdat ik an me pols geopereerd ben.”
“Daarom ken je toch wel lopen?”
“Dat gaat ech niet want me benen doen ook zeer. Weet je wat, stuur jij nou de survelans langs, dan kom ik effe praote. Oké, dan trek ik gauw me broek an, want ik zit nog in me sportbroek.”
Na een poosje wordt hij aan het HB afgeleverd.
“Wat haal je weer allemaal voor dwaze dingen in je kop man?” begroet ik hem als hij voor me staat. “Ik zal je eerst maar een bakkie koffie geven, daar word je misschien een bietsie helderder van. Alles derop en deran?”
“Nee man, ben je belazerd! Zwart hoor, geen melk en suiker anders komp me insulinde in de war.”
Terwijl Willem aan zijn koffie slurpt open ik quasi boos de aanval.
“Willem, zal ik jou is wat zegge, ik word zo langzamerhand doadziek van jou. Volgens mij ben je zeker al 20 jaar an de gang. Iedere keer hebbie weer wat anders.”
Willem begint te lachten en aangezien hij zijn gebit niet in heeft krijgt zijn tandeloze mond zo’n merkwaardige mummelvorm, zodat ik bijna in de lach schiet.
Willem, vermoedelijk mijn boosheid ziende, gooit het nu over een andere boeg.
“Weet jij nog, dat jij die ouwe van mij eens een keer zijn arm gebroken hep bij een vechtpartij. Ik weet nog goed, dat hij jou met een stoel op je harses wou slaan. Ik zat in de rechtszaal toen hij voor mos komme. Ik lachte me eige een kriek, toen de zitting uit de stoel viel. Ja die boef hepput toen wel zo versierd dat hij een uitkering kreeg.”

(Nu maak ik even een zijsprongetje want enige toelichting is hier wel op z’n plaats.
Ik “trof“ het bij een andere gelegenheid, dat hij een keer op zijn sokken aan het HB verscheen. Hij leefde nogal op gespannen voet met zijn vader, die ook niet afkerig was van een slokkie. Thuis was de zaak voor de zoveelste keer uit de hand gelopen, toen zijn vader hem met een broodmes achterna gezeten had, waarop hij naar het bureau was gevlucht.
Daarop ben ik met een collega naar de woning gegaan, aangezien er vanwege het aantal meldingen geen surveillanceauto beschikbaar was. Eenmaal op het adres aangekomen, troffen we zijn vader in staat van dronkenschap aan. Die trok direct een stoel onder de tafel vandaan en het leek er op, dat hij van plan was die op mijn hoofd te laten neerdalen. Ik greep hem daarop vast en bij de worsteling die toen tussen ons beiden ontstond, zag het er naar uit, dat diens arm gebroken was. Hij staakte direct zijn verzet. Om verdere problemen te voorkomen en om hem tevens te laten behandelen, namen we hem voor zijn eigen en eens anders veiligheid mee en buiten gekomen, was er inmiddels een behoorlijke toeloop van straatbewoners voor de deur.
“Kijk eens, wat ze gedaan hebben,” riep hij buiten gekomen: “ze hebben me arm gebroken!”
Zijn wederhelft die ook de woning ontvlucht was en zich onder de oploop bevond, riep toen: “Ze hadden je doad motte schuppe, viezerd.”
Later tijdens rechtszaken voor het Ambtenarengerecht, gevolgd door hoger beroep bij de Raad van Beroep (ons was huisvredebreuk verweten en klager had een gebroken arm opgelopen en een beroep op een uitkering gedaan) vroeg de rechter nog wie het pand als eerste betreden had. Ik weet nog heel zeker, dat ik dat was, want op dat moment, schoot mij een zin te binnen uit het boek ‘Sprookjes’ van Godfried Bomans, mijn geliefde schrijver, (R.I.P), waar een kruidenier en een pastoor op zoek gaan naar de antichrist en de pastoor als eerste een huis betreedt waar vermoed wordt dat die zich daar ophoudt door te zeggen: “Het lam volgt de herder.” Mijn collega meende, dat hij degene was die als eerste de woning was binnengegaan en zo waren er dus van het binnentreden twee lezingen, die de rechter uiteindelijk niet zo van belang achtte.
Bij de behandeling tijdens de zitting van de Raad van Beroep deed zich nog een incident voor dat zelfs de strenge heren magistraten een lach ontlokte.
De raadsman van klager probeerde ons namelijk op diverse manieren in het verdachtenbankje te plaatsen. Zo voerde hij aan, dat zijn cliënt een stoel had gepakt en die met een uitnodigend gebaar had aangeboden, zodat er even rustig gepraat kon worden. Nee meneer de president, een van de politiemensen was hem zomaar direct in zijn nek gesprongen, hield hij het college voor.
De president keek mij daarop aan met een blik van klopt dat?
Daarop vroeg ik permissie om te demonstreren hoe deze gebeurtenis zich volgens mij had toegedragen.
“Ja, zeker,”antwoordde de president, “gaat uw gang.”
Daarop liep ik naar een tafel, trok er een eiken stoel onderuit, hief die omhoog en deed daarmee dreigend een stap in de richting van de raadsman, die angstig een schrede achteruit deinsde. Ik zag toen dat een van de rechters zijn gezicht in zijn zakdoek verborg en daarna langdurig zijn neus snoot. Wat de lachlust nog verhoogde was dat tijdens deze demonstratie de lederen zitting uit de stoel viel. De raadsman wist verder weinig argumenten meer in te brengen)

Maar beste lezers, het verhaal van Willem is nog niet af.
Terwijl hij aan zijn koffie slurpt vraag ik hem hoe het met de operatie aan zijn slokdarm verlopen is, want een tijdje geleden had hij mij verteld, dat hij zich tijdens het eten van een karbonaadje in een stukje bot verslikt had.
“Nee man, der zat gelukkig niks, maar ik hep wel zeven andere operaties gehad.”
Hij toont een omzwachtelde hand. “Hier ben ik pas aan geopereerd, der zat een bot in die er niet in hoorde.”
Hij wordt dit gesprek blijkbaar een beetje beu, want hij wil liever praten over o.a. zijn zelfmoordneiging.
“Hoor nou is effe Spier, as je me nou niet help waor, dan spuit ik me straks met insulinde in hoor.”
“Weet je wat Willem,” zeg ik opstaande en onderwijl pak ik zijn arm vast, “ik zet jou in de cel en dan kun je daar is nadenken.”
“Ho, ho, wach is effe,” protesteert Willem, “dat gaat zo maar niet, der is toch nog niks gebeurd hoor!”
“Oké dan ga je nu naar huis,” zeg ik, “want ik krijg onder de hand zin om je een halve meter in te korten, dus wegwezen en je kruipt maar in je nest en morgen kijk je er weer anders tegen an.
“Nou dan gaat ik maar.” Het komt er wat spijtig uit. Hij kreupelt naar de deur. Daar draait hij zich nog een keer om en roept: “Ik ken niet garanderen tot ik me eige niet bedenk en het toch doet.”
“Weet je wat, Willem, je zoekt het maar uit, maar, maar jou kijk ik nooit meer an.”
Zijn duim gaat omhoog, ik krijg een knipoog en hij roept nog: “Tot ziens hè en bedank voor je bakkie koffie.”
Na een paar dagen zag ik hem in de hal van het bureau richting onze sociale afdeling gaan. Hij leefde gelukkig nog, maar zijn gebit had ie nog niet in.
Of ze daar blij met hem waren zou ik niet kunnen zeggen.

Jan Spier.

( N.B.)

Wellicht zullen sommige lezers van dit verhaal zich afvragen waarom zoveel aandacht besteed aan een dergelijk figuur als onze Willem.
Collega’s, die net als ik jarenlang de functie van wachtcommandant vervulden werden frequent met dit soort figuren, of erger geconfronteerd.
Ik sprak er eens een keer over met een arts van het crisisteam hoe je in deze gevallen zou moeten handelen.
“Je moet je niet laten chanteren”, was zijn antwoord, “niet op reageren, zij zijn zelf verantwoordelijk voor hun daden.”
De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat ik meer dan eens na beëindiging van een dienst tijdens welke zich zo’n gebeurtenis had voorgedaan, ik des avonds soms met een vaag gevoel van onrust rondom het middenrif onder de dekens kroop en dan de slaap niet vatten kon.
Stel je eens voor, spookte het dan wel door mijn hoofd als iemand zijn dreiging om iemand om te brengen eens ten uitvoer zou brengen. Was ik dan mede schuldig? Volgens de crisisarts niet, maar ja, tenslotte had hij er voor doorgeleerd, hij kon het weten.

 Overigens ben ik van mening dat de plus-boodschappenpakketten bij de voedselbank terecht dienen te komen.

Advertenties

Gepubliceerd door

carel de mari

Tot 2005 was ik werkzaam als productontwikkelaar en projectleider in verzekeringsland. Het moet daar geweest zijn dat ik getraind werd in het kort en bondig schrijven van notities en brochureteksten. Nu heb ik de grootst mogelijke moeite een verhaal in meer dan 1000 woorden te vertellen. Maar een verhaal vertellen, dat moet ik! In eigen beheer gaf ik eerder uit "Marokkaans koken en andere verhalen" (zie mijn weblog) en in de verhalenbundels "Adrenaline" en "30 Openbaringen" staat ook een bijdrage van me.

7 thoughts on “Uit de herinnering van de wachtcommandant”

  1. Een politieman met een gouden hart.Zo moesten we er meer hebben en bovendien weet hij het m.i. veel beter dan die zogenaamde doorgeleerde deskundige.

  2. Geachte mevr. Trudi,

    Een paar keer mocht ik gastschrijver zijn bij mijn sportvriend Carel. Ik dank u hartelijk voor uw reactie op mijn bijdrage van ‘Willem” waarin u mij een politieman met een gouden hart noemt. Eerlijk gezegd werd ik er verlegen van want nog nimmer in mijn 38 jarige loopbaan bij de politie heeft ooit iemand een dergelijke uitdrukking gebezigd. Nu is er een voor mij onbekende vrouw die mijn stukje leest en mij deze kwaliteit toedicht…
    Behalve blozen zoals Carel veronderstelt neem ik nu maar even een fishermansfriend, sterk spul hoor!

    Lieve groeten,
    Jan Spier

  3. Dat lezen we nou veel te weinig. ABU: Algemeejn Beschoaf Utregs. Vroeger van Stichtenaer in het Utrechts Nieuwsblad, maar het lijkt wel uit te sterven. Jammer. Leuke post!!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s